ALL - vooruitzichten

 

Niet alle ALL is hetzelfde: er zijn verschillen. De arts kan op basis van een aantal specifieke kenmerken voorspellen of je een goede of een minder goede kans op genezing hebt. Artsen delen met deze kenmerken patiënten in risicogroepen in.

Deze risicogroepen zijn gebaseerd op de genoemde chromosoomafwijkingen, het aantal witte bloedcellen bij diagnose en ook de reactie van de leukemie op de eerste chemokuur.

Je moet er rekening mee houden dat het bij het horen van een uitkomst altijd gaat om gemiddeldes van grote groepen patiënten. Maar jij bent één unieke patiënt en geen gemiddelde. Je kunt dus een betere kans op genezing hebben dan de gemiddelde kans in jouw risicogroep, maar helaas kan je kans op genezing ook slechter zijn.

Kenmerken van ALL die invloed hebben op de vooruitzichten

  • Leeftijd
    Kinderen hebben een grotere kans op genezing dan ouderen. Om de kans op genezing te verbeteren, krijgen volwassen patiënten tegenwoor­dig een zwaardere behandeling dan vroeger. Patiënten boven de 40 jaar krijgen een minder zware behandeling dan jongere patiënten.
  • Het aantal witte bloedcellen bij de diagnose
    Bij een erg hoog aantal witte bloedcellen is er een iets kleinere kans op genezing.
  • Chromosoomafwijkingen in de ALL-cellen
    Sommige afwijkingen hebben een positieve invloed, andere een negatieve. Aanwezigheid van het Philadelphiachromosoom geeft bijvoorbeeld slechtere vooruitzichten.

 Overlevingskansen

In het algemeen hebben kinderen een goede prognose na behandeling. Meer dan 90% geneest van de ALL. Voor 18- tot 25-jarigen is de overlevingskans momenteel zo’n 75%, en bij 25- tot 40-jarigen ligt dat rond de 65%. Boven de 40, en zeker boven de 60 jaar, ligt de overle­vingskans rond de 40%.